Ontwerperswoordenboek

 

Advertorial – Een gekochte redactiepagina in een krant of tijdschrift, of op een website. Een advertorial is niet opgemaakt in de huisstijl van de afzender (de adverteerder), maar in de redactionele stijl van het medium waarin de pagina wordt geplaatst. Tekst staat meestal centraal, zo kan een advertorial bijvoorbeeld de vorm van een interview krijgen. Vrijwel altijd staat bovenaan verplicht het woord 'advertorial'. Soms wordt ook de vormgeving aan banden gelegd om verwarring bij de lezers te voorkomen.

 

Art director – Kunstzinnig type, hoofd vormgeving. Vaak herkenbaar aan zijn designerbril en Italiaanse auto. Ontwerpt wel, maar laat de uitvoering doorgaans over aan een DTP-er.

 

Beeldmerk – Een logo zonder tekst. Ook wel vignet genoemd. Zie verder onder logo.

 

Briefing – Omschrijving van de opdracht. Eén van de moeilijkste aspecten uit het traject 'van niets tot uitgewerkt ontwerp'. Een briefing is met name lastig omdat u enerzijds helder moet maken wat uw ideeën en wensen zijn, maar anderzijds ruimte moet laten voor een creatieve invulling. In de reclamewereld verdwijnen er meer campagnevoorstellen in de prullenbak dan dat er daadwerkelijk worden uitgevoerd. Dat heeft zeker te maken met een creatieve invulling die vaak op gevoel wordt beoordeeld. Maar misschien wel vaker komt het door onduidelijkheden in de briefing. Probeer daarom -vóór u met een ontwerper of tekstschrijver aan tafel gaat zitten- zelf uw gedachten zo goed mogelijk op papier te zetten. Vraag na het gesprek altijd om een schriftelijke terugkoppeling (de debriefing).

 

Brochure – Een papieren productie gemaakt van meerdere vellen gevouwen papier die bijeen worden gehouden met nietjes (meestal, binden met garen en/of lijmen komt ook voor). Een brochure kan in ieder gewenst formaat worden gemaakt.

 

Copywriter – Copy betekent 'tekst'. Writer is 'schrijver'. Vandaar dat wij onze copywriter ook altijd tekstschrijver noemen.

 

Design – Een woord dat niets anders betekent dan 'ontwerp' maar dat door sommigen wordt verkozen boven de Nederlandse term. Zo wordt een grafisch ontwerper dus een graphic designer. Het woord design is aan een behoorlijke inflatie onderhevig. Er zijn designbrillen, designlampen en designstoelen, en ze zijn overal te koop, van de HEMA tot de Kwantum. Zelf zitten wij in een designkantoor in Deventer, designstad bij uitstek.

 

Deventer – Fraaie stad aan de IJssel met een rijke historie. Het oude centrum nodigt uit tot een smakelijke lunch op het terras of een zakelijke borrel in één van de vele café's.

 

DTP – Desktop Publishing. Met behulp van een professioneel DTP-programma (meestal QuarkXpress of InDesign) wordt een ontwerp omgezet in een drukklaar product.

 

Folder – Een uit één vel papier gevouwen uitgave (van het Engelse 'to fold', vouwen). Een folder kan één vouw hebben, maar bijvoorbeeld ook twee. In dat geval spreken we van een drieluik. Zodra er meer vellen papier en een nietje worden gebruikt is er sprake van een brochure. Wordt een vel niet gevouwen, dat wordt het -afhankelijk van het formaat- een leaflet of een poster.

 

Fotootjes – Een uitdrukking die geen recht doet aan de inspanning van een fotograaf. Met name bij websites zijn foto's nogal eens het sluitstuk van de begroting. Dat is jammer, want goede fotografie levert een wezenlijke bijdrage aan het eindproduct.

 

Grafische vormgeving – Heeft van oorsprong betrekking op het ontwerp van grafiek, zoals kopergravures, litho's en houtsnedes. Wordt ook wel grafisch ontwerp genoemd, of korter: ontwerp en vormgeving. Het verschil tussen die laatste twee is in de praktijk niet aanwezig. De één laat zich graag ontwerper noemen, de ander geeft de voorkeur aan vormgever. Beiden doen ze hetzelfde. We hadden dus ook Fokko-vormgeving kunnen heten...

 

Identiteit – Ook wel identity of corporate identity (Eng.). Wordt vaak gebruikt in combinatie met het begrip imago (image, corporate image). De identiteit zegt iets over wat een organisatie is, het imago geeft aan hoe de buitenwereld een organisatie ziet. Vormgeving kan een belangrijke bijdrage leveren aan het versterken van de identiteit, zowel voor de buitenwereld als voor de eigen medewerkers.

 

Imago – zie: identiteit

 

Leaflet – Een vel papier dat aan één of twee zijden wordt bedrukt. Wordt vaak ten onrechte 'folder' genoemd. Ten onrechte omdat een folder per definitie is gevouwen, een leaflet is dat niet.

 

Logo – Van het Griekse 'Logos'. Een logo heet voluit een logotype, en is een beeldmerk dat een herkenningsteken is voor een organisatie. Meestal bestaat een logo uit een combinatie van een beeld met de merknaam. Soms wordt alleen de merknaam vormgegeven, zonder beeld als toevoeging. In dat geval spreken we over een woordmerk. Een goed logo fungeert niet alleen als herkenningsteken, maar versterkt ook de identiteit van een organisatie (of product).

 

Papierformaat – Vormgevers en drukkers praten bij papierformaten over standaard-afmetingen zoals die zijn vastgelegd in DIN-normen (DIN: Deutsches Institut für Normierung). Uitgangspunt is een stuk papier van 1 vierkante meter: A0. De helft van een A0 is een A1. De helft van een A1 is een A2, enzovoort. Het papierformaat dat het meest wordt gebruikt is A4, de grootte van een schrijfblok (en de helft van een A3, maar twee keer zo groot als een A5).

 

Stationary – Engelstalig jargon voor basispakket drukwerk. Onder 'basis' wordt in ieder geval briefpapier, enveloppen en visitekaartjes verstaan. Maar soms ook: volgvellen, etiketten en 'with compliments'- kaarten. Beter is het dus over de afzonderlijke onderdelen te praten, dat voorkomt misverstanden.

 

Stockfoto – Een foto van de plank, uit voorraad. Niet speciaal voor u gemaakt en niet-exclusief te gebruiken. Voor stockfotografie kan worden gekozen als foto's maken niet mogelijk is, of het inhuren van een fotograaf te begrotelijk wordt. Maar er gaat natuurlijk niets boven eigen fotografie.

 

Woordmerk – Een logo uitsluitend bestaand uit letters.